Week 2: van Barfleur via La Hague en st Germain sur Ay de westkust van La Manche afzakken en dan in één keer doorsteken naar zuidoost Bretagne: Morbihan
We zijn blij weer door het coulissen landschap van La Hague te rijden, die Normadische noordwesthoek, voorbij Cherbourg. Het is alsof een oude bekende ons begroet, hoewel we er slechts één keer eerder waren. Gekenmerkt door een wirwar van hagen vol weelderige begroeiing tussen gouden velden, in het westen begrensd door hoge donkere kliffenkusten. Daarop lopen we een pittig stukje GR, ondanks het late middaguur toch nog in de bloedhitte. De camperplek bij de vuurtoren in het meer noordelijk gelegen Goury is sinds ons eerste bezoek verdwenen. Het werd er kennelijk te druk. Hier op le Nez de Jobourg is het grote veld er nog, waar je gratis kunt staan om in het avondlicht de kiekendief in het graan te zien duiken. Dit keer is er naast de openbare toiletten bovendien een piepklein tentje bij gekomen waar je de eerste levensbenodigdheden kunt bemachtigen: broodjes, koffie, ijs en cider.

We zakken de westkust van La Manche af met het voornemen om in Vauville de botanische tuinen te bezoeken die nog geen halve kilometer van zee af liggen, met een ommuurd en gratis camperveld naast de deur. Even verderop ligt bovendien een marais-natuurgebied, dat ongetwijfeld in het voorjaar het mooist zal zijn qua vogelpracht, zoals alle deltagebiedjes die we tot nu toe hebben gezien. Wij zijn voor de verandering eens een keer vroeg en de tuinen gaan niet eerder open dan half twee. Omdat we daarop niet willen wachten, bewaren we deze plek voor een volgende reis. Zoveel is ons inmiddels wel duidelijk: in Cotentin en La Manche willen we graag blijven komen. Maar dan niet in het hoogseizoen! Mei/juni lijkt ons de uitgelezen tijd van het jaar om hier rond te karren.

Hoewel er in Frankrijk inmiddels heel veel voorzieningen zijn voor campers, merken we dat het campertourisme vooral in en rond gewilde kustplaatsen vrij strak wordt gedirigeerd. Met balken wordt ons de doorgang op parkings versperd, waardoor je wordt gedwongen je heil elders te zoeken, meestal op betaalde plekken, een stuk verder gelegen. Dan is het uiterst handig dat we onze fietsen bij ons hebben. Desondanks lukt wild staan ons in Normandië af en toe wel degelijk. De mooiste plek vinden we net buiten St Germain sur Ay, na het moeizame bedwingen van een gevaarlijk hoog wildrooster, eigenlijk alleen geschikt voor auto’s met een korte wielbasis (ook hier lijken campers eigenlijk niet de bedoeling maar omdat we er al twee zien staan zetten we door). Een schurende treeplank daargelaten, redden we de oversteek zonder schade.

Daar staan we achter een lage graswal aan de rand van een estuarium en kijken uit over een zilte getijdenvlakte met de mooiste paarse bloemen, waar blackface-schapen grazen en je verderop in een wereld van zandplaten en watergeulen kunt rondscharrelen. Eveneens uitkijkend over die vlakte staat op een wat hoger gelegen rotspunt een klein stenen gebouwtje, eeuwen oud. Le corps de garde. Het blijkt een wachtlokaal, waarin vele eeuwen lang werd gewaakt tegen ongerechtigheden zoals smokkel en aanvallen op de kust. De verrassing is dan ook groot wanneer we het huisje met zijn dikke muren en twee piepkleine raamopeningen betreden: na de oorlog is het omgetoverd in een Mariakapel. Sober, met twee Mariabeelden die worden opgeluisterd door een handvol stenen engeltjes en tussen de stenen gestoken plastic bloemetjes. De gedroogde bloemen op het kleine stenen altaar en een bundeltje korenaren doen eerder denken aan heidense offergaven dan aan het katholieke geloof. Toch zit in deze kapel met zijn stille eenvoud een ware kerk, meer dan in welke kathedraal dan ook.