
Voor onze volgende oude bekende steken we in zuidoostelijke richting door, vanaf de noordkust van La Manche naar een strandje bij een gehucht aan het westelijke einde van de Normandische ‘oorlogskust’. Hoewel je langs die kust de herinneringen aan D-day, 6 juni 1944, in al zijn facetten niet kunt vermijden, lukt ons dat grotendeels wél op de prachtplek bij Géfosse Fontenay, waar we ‘wild’ staan aan de Baie des Veys. Daar heersen ruimte en stilte. Opnieuw word ik verliefd op de plek die we drie jaar geleden ontdekten.
Op de zanderig parking voor een rijtje sjofele strandhuisjes kun je naast een oude bunker – met toestemming van de gendarmerie – met de camper staan en je stoeltje buiten zetten, om uit te kijken over een stuk zee dat een delta van vijf rivieren blijkt. Bij eb geeft het water een grootse kwekerij met160 hectare oesterbanken prijs en een goed beloopbaar wad, zo groot als morgen de hele dag. Langs de kust loopt een pad door een smal natuurgebied, waar tussen april en september veel strand- en trekvogels rusten. Ze doen zich graag tegoed aan de lekkernijen waarop ook andere smulpapen af komen.
Zo lang het glinsterende wad droog ligt verschijnen aan de lopende band mensen met harkjes, emmertjes en speciale manden om hun kostje schelpdieren bij elkaar te scharrelen. Het levert mooie beelden op. Het oudere stel dat hand in hand naar de horizon loopt, een moeizaam lopende vrouw zonder mand of emmertje die links op een kruk steunt en rechts op een verlengd harkje om niet te hoeven bukken, een oude man die het met één hand moet zien te rooien omdat hij met de andere zijn broek moet ophouden, en een vrouw van middelbare leeftijd met een te kort jurkje – in elk geval bij deze wind – die ondanks de opwaaiende rok niet schroomt om ver voorover te buigen en omstandig naar schelpen te zoeken, ons vol zicht biedend op haar schamel bedekte kruis.
Een man en twee vrouwen op leeftijd arriveren in een even oud busje, lunchen aan een petieterig tafeltje met wijn, stokbrood en beleg en vegen de mond af met keurige servetjes, om zich vervolgens te omgorden met hun uitrusting voor de kokkeljacht. Want kokkels zijn de heerlijkheden waar men hier op uit is. De man vertelt dat hij ze lekkerder vindt dan mosselen, een godenmaal wanneer je ze klaarmaakt zoals een van de vrouwen het me voorschrijft: kort koken met water of wijn, zout heeft de zee al voor je geregeld, dus hooguit wat peper toevoegen. Eet ze met brood en boter bij een glas wijn en je wordt gelukkig. Wanneer het drietal later zichtbaar vermoeid terugkeert met kilo’s schelpen, komt de man ze vol trots laten zien. Zijn maaltje voor vanavond heeft hij binnen. Wat hij niet opeet gaat de vriezer in.
