
Het leuke van Normandië vind ik dat het toeristisch kan zijn zonder dat gelikte, dat hele commerciële en georganiseerde, zoals je dat bijvoorbeeld in het Bretonse Morbihan vindt. Huizen en gebouwen hebben dikwijls de sfeer van vergane glorie, of hebben die glorie helemaal nooit gekend. Granville heeft dat ook en is een mengelmoesje van toerisme en visserij/jachthaven/transport naar de eilanden. Het oude centrum van de havenstad ligt hoog en heeft robuuste huizen, muren en andere bebouwing, veelal grauw, opgetrokken uit grote blokken steen. Gebouwd om de stormen die de westkust kunnen teisteren te weerstaan en de binnenstad relatief beschut te houden.
Met een kwartier fietsen zijn we er. We vergaren informatie over de boottocht en kopen tickets voor de volgende dag. Die middag genieten we van de stad, smullen van een ‘galette’ op een coronaproof terras en shoppen tot we een ons wegen. Er staan streepjestruien op ons verlanglijstje! Dat we onze fietsen – met fietstassen waar veel in kan – mee hebben op vakantie is ideaal. Ook in Granville is de invloed van corona merkbaar. Niet alleen door de verplichte mondkapjes in alle overdekte ruimten, maar vooral dat het lang niet zo druk is als je in het Franse hoogseizoen zou verwachten. Wat ons morgen op de boot en op la Grande Ile Chausey wacht, laat zich vandaag dus nog niet vermoeden.
De drukte, de volgende dag, is ongekend en kleurt onze rustige eilanddag veel te fel. De overweldigende hitte doet de rest. Behalve prachtig wordt onze trip ook een bezoeking, temeer daar we er noodgedwongen langer verblijven dan we willen. We arriveren na een vaartocht van een uur om 12 uur en hebben alleen de boot terug van 20.30 uur kunnen reserveren.
Jaren geleden, toen ik voor het eerst van de Iles Chausey hoorde en er plaatjes van zag, nestelden ze zich op een warm plekje in mijn hart. Ik besloot toen om er ter gelegenheid van mijn vijftigste verjaardag een week in een huisje te vertoeven, in relatieve verlatenheid. Een zaligheid leek me dat! Nu ik zestig ben is deze droom om uiteenlopende redenen nog steeds niet verwezenlijkt. Daar wil ik wat aan doen. Om te beginnen met een dagtrip naar het enige (schaars) bewoonde eiland in de archipel, die bij vloed uit 365 eilandjes en rotsen bestaat en bij eb uit 52, omdat het grootste gedeelte dan door droog gevallen land met elkaar is verbonden. Uniek in Europa, zo lees ik in de folder.
Op het grote eiland zijn enkel onverharde paden, zonder verkeer. Geen auto’s of ander gemotoriseerd spul, op de veerboten na. Ik heb zelfs geen fiets kunnen spotten. Op twee plekken zijn – tussen half juli en eind september – huisjes/studio’s te huur voor de duur van drie tot zeven dagen. En ik weet nu hoe ik die kan reserveren voor volgend jaar. Ons bezoek van vandaag is tevens een onderzoekje of ik dat ook echt zal willen. Wat ik uitvogel is dat het voor mij fysiek haalbaar is, ook met een nogal krakkemikkig lijf, maar dat ik buiten het seizoen moet gaan. Want met de vele dagjesmensen die zich lawaaierig over het eiland verspreiden, kun je de felbegeerde verlatenheid wel op je buik schrijven (een rondje eiland is ongeveer 5 km, je blijft dus altijd mensen tegenkomen). Bovendien zijn er weinig toegankelijke plekken met schaduw, dus als je zoals wij niet tegen de hitte kunt, heb je het in de hamerende zomerzon zwaar.
