
Iles Chausey – De boottocht alleen al is een uitdaging. Eerst wachten in de brandende zon in een lange rij van honderden mensen, waarvan lang niet iedereen een mondkapje draagt en het merendeel de vereiste afstand (in Frankrijk 1 meter) niet in acht neemt. En dan de drukte op de boot. Met driehonderd zielen dicht opeen gepakt, zien we vandaag de mensheid van zijn minst sociale kant.
Ondanks vermoeidheid, oververhitting en mensen en nog eens mensen, genieten we van de schoonheid van het eiland. De kunst is om voorbij die barrières te komen, de gelaagdheid in de aard van de archipel waar te nemen en helemaal binnen te laten komen. Want wat een pracht! Hoe vreemd en grillig de rotsformaties, hoe veranderlijk de sfeer van rotsen en water naarmate het tij opkomt of zakt en het zonlicht verkleurt van blakerend wit naar zacht oranje. Van een doodgewoon zonnig bakstrand tot buitenaards aandoende landschappen, je vindt het er allemaal. De hele dag wisselt mijn oordeel: ‘ik ga hier een week naartoe’ – ‘ik moet het niet doen’ – ‘ik ga wel’- ‘ik ga niet’. Ik besluit vlak voor de terugvaart: wél. Het is te mooi en te bijzonder om het niet te doen, ongeacht mijn fysieke beperkingen. In september 2021 hoop ik er te zijn, in rust en stilte, te midden van de eindeloze veelvormigheid van licht, lucht, land en zee. 180 graden anders dan vandaag. Zo mooi, zo mooi, als er geen mensen zijn.
Na Granville gaan we weer op route. Eerst een picknick op het strand, met vers stokbrood en croissants, daarna met de airco voluit blazend noordwaarts, naar St. Germain sur Ay, een kustplaatsje aan de westkust van La Manche, waar zee en land worden verbonden door een bijzonder getijdengebied: Le Mares, ook wel marais genoemd. We zijn er eerder geweest en na enig zoeken vinden we de plek terug waar we ‘in het wild’ kunnen staan, in de schaduw van hoge naaldbomen, naast de poort van een klein landgoed.
Deze zoet/zilte delta is een getijdengebied met meerdere kleine riviertjes, strand en natuur. De Mares is prachtig begroeid met paarse lamsoor en ander stevig spul dat in dit klimaat weet te overleven. Het wordt begraasd door schapen. Het landschap is doortrokken van geulen, die vollopen bij opkomend tij en leeglopen als het water zakt. Er zitten veel vogels. Aan de kant die het verst van de duinen en de zee is gelegen, staat een stokoud klein stenen huisje op een rotsachtige verhoging. Op een bordje staat Corps de Garde, ofwel wachtlokaal. In de loop van vier eeuwen vergroeid met het landschap deed het steeds dienst als uitkijkpost (kwamen de Engelsen weer over zee?). Sinds 1945 is het verrassend genoeg een uiterst sobere Mariakapel. Ook voordat het wachtlokaal er stond, keek men vanaf deze post al uit naar potentiele aanvallers. Vikingen bijvoorbeeld, of piraten.
De kapel is ontroerend, de grove stenen muren gevoegd met bloemen, schelpen, beeldjes en hier en daar een foto van mensen die er denk ik niet meer zijn. De liefde die hier is achtergelaten is voelbaar. We lopen over de weidse Mares en maken een fietstochtje en een korte strandwandeling bij de hoge zandduinen, waar vrijwel geen mensen zijn. Ruimte, ruimte, wat een heerlijke ruimte! En opnieuw: wat is het heet!
